Preken

Hieronder kunt u de meest recente preken nalezen die Vader Paul Brenninkmeijer voor onze gemeenschap hield.

Preek op de zondag Vaders van het 7e concilie (15 oktober 2017)
(tevens viering van het jubileum van Wladimirskaja en Pokrofdag)

We hoorden net hoe de evangelist Johannes het meest innige gebed van Jezus verwoordt dat denkbaar is. Het is lofprijzing, maar ook smeking, in vertrouwen. Dit is taal van intimiteit en die  behoort tot de eerste taal die wij mensen leren spreken, waar we papa en mama leren zeggen, en met koosnamen, zoals Jezus hier God met een koosnaam Abba, Vader noemt, ongekend in de joodse traditie. In onze cultuur lijdt deze eerste taal, de taal van de intimiteit een kwijnend bestaan. Heel kort leeft deze taal op als jonge mensen voor het eerst verliefd worden. Maar in het gewone leven krijgen andere vormen van taal de overhand. Vooral de informatieve taal, die we op school leerden, de taal ook van de media die ons op de hoogte brengen van wat er in de wereld gaande is, de taal van wetenschap en techniek. Daardoor oefenen we een vak uit, en beheersen wij mensen de wereld.
En dan is er nog een derde vorm van taal, dat is de taal van het bevel, dit moet je doen, en dat moet je laten, die leren we ook al jong, als we een keel opzetten kunnen we anderen onze zin opleggen. Deze taal van het bevel beheerst ook de reclame. Maar als er weinig intieme taal is wordt het wel kil om ons heen.

In het evangelie leert Jezus ons weer  deze taal van de intimiteit. Dit is het ware leven, zegt Jezus, dat zij U kennen, dat is geen rationeel kennen, met ‘kennen’ bedoelt Jezus dat wij echt met God mogen omgaan, omdat er wederzijdse liefde is tussen God en ons. En zo neemt Jezus ons mee in zijn gebed tot de Vader, zodat ook wij God mogen verheerlijken: Blagoslowi Doesje moja Gospodi: loof mijn ziel de Heer, we mogen vanuit verwondering om ons bestaan de Bron van alles loven en danken.
En tegelijk staan we hier biddend met opgeheven handen, omdat wij mensen uiteindelijk onszelf niet kunnen redden. Gospodi pomiloej, Heer, ontferm U. Omdat het leven ons ook pijn doet en we vragen hebben waar we niet uitkomen. Maar met die vragen staan we niet alleen, maar samen met anderen worden we hier in de liturgie verbonden.

Juist de byzantijnse liturgie zoals wij die hier en in de andere byzantijnse gemeenschappen vieren roept dit intieme Geheim achter alles bijzonder bij ons op. Onze naam Pokrof verwijst naar de sluier die de Moeder Gods beschermend over Gods volk uitspreidt, zoals eens, meer dan 1000 jaar geleden, in Constantinopel, we zien het uitgebeeld op de Pokrof-icoon.  Hier gaat het om genade, om troost en verzoening, woorden die je mist bij alle informatieve taal en bij alle reclame en verordeningen die dagelijks op ons afkomen.  Nu hoeft taal niet alleen uit woorden te bestaan.
Een paar maanden geleden was ik in TivoliVredenburg bij een orkestuitvoering van l’Ascencion van de Franse componist Messiaen. Daar werd dit gebed tussen Jezus en de Vader, zoals we dat vandaag in het evangelie hoorden verklankt door een orkest. De volle zaal luisterde ademloos. Zelden hoorde ik mooier in muziek vertolkt wat een gebed is. Soms zijn in onze tijd woorden niet voldoende om een boodschap over te brengen. Muziek kan soms meer dan woorden alleen overtuigen en dat zelfde geldt voor de taal van het beeld, en vooral de icoon.

De icoon spreekt  een eigen taal. We gedenken op deze zondag de Vaders van het 7e algemene concilie van 787. Dat ging over iconen. In de mens Jezus Christus heeft God ons een icoon van Zichzelf gegeven, zichtbaar en tastbaar, niet enkel voor de 33 jaar dat Jezus op aarde leefde, maar voor altijd en wel door iconen, geschilderd of in mozaïek. Door mensenogen kijkt God ons aan in de icoon, sprekend zonder woorden, vol mededogen, en met een oproep die moeilijk te weerstaan is. Zo leert Christus ons om in de ogen van medemensen het geheim te ontdekken. In de ander die wij ontmoeten licht iets op van God zelf. Die ander heeft iets heel eigens waar God nauw mee verbonden is.
We leven temidden van een rationele maatschappij, waar de taal van de intimiteit schaars is  De goddelijke liturgie spreekt een taal van ontzag en verwondering en ook van innigheid en warmte en kan ons tot dankbaarder, vrijgeviger en liefdevollere mensen maken, ten diepste verbonden, met elkaar en met God.

Preek op de 11e zondag na Pinksteren (20 augustus 2017)

Wij vieren het nafeest  van het ontslapen van de Moeder Gods.  In het kondakion van dit feest dat zojuist werd gezongen klonken de woorden: Als Moeder van het Leven werd zij opgenomen in het Leven (met een hoofdletter) door Hem die eens haar schoot bewoond had. Maria is een bij uitstek begenadigde mens. Vol van genade, zegt de engel Gabriel tegen haar.
Genade is de doorbraak van de hemel in onze aardse verhoudingen. Onze aardse verhoudingen worden bepaald door regels en wetten, allereerst door de wetten van de natuur. De geboorte van Christus uit een maagd zet een belangrijke levenswet buiten spel, en Maria ’s ten hemelopneming doorbreekt de wet van dood is dood. Genade gaat ook in tegen de regels die wij mènsen onderling hebben gemaakt. Wie een misdaad begaat moet gestraft worden bijvoorbeeld, ook de bedenkers en uitvoerders van terreuraanslagen, maar er zijn ook regels als: ‘voor wat hoort wat’ of ‘niets is voor niets’. En: wie een schuld heeft bij een ander moet die terugbetalen. In het epistel noemt de H. Paulus allerlei zaken waar hij volgens de wet recht op heeft, maar waarvan hij omwille van het evangelie toch afziet. Maria heeft heel haar leven laten zien wat het is om uit genade te leven. Zij is nooit eisend geweest, altijd ontvangend. Een ander iets betaald zetten, genoegdoening eisen, op je rechten staan: het is haar allemaal vreemd. Haar levensmotto is: Mij geschiede naar uw Woord.

In het evangelie hoorden we over een man met een gigantisch grote schuld, die wordt hem zomaar kwijtgescholden. In dit verhaal wijst Jezus erop hoe de hemel met zijn genade doorbreekt in onze aardse werkelijkheid. Maar dan heeft dat wel gevolgen voor de manier waarop wij mensen met elkaar omgaan.  Dit laatste heeft die knecht in het evangelie helemaal niet begrepen. Hij zit nog vast in zijn denken van ‘voor wat hoort wat’, en ‘niet is voor niets’ en hij eist van zijn  medeknecht die bij hem voor een luttel bedrag in het krijt staat, onmiddellijk de terugbetaling. Misschien is de ervaring die de apostelen na de dood van Jezus hadden juist wel deze: dat Jezus hun verscheen om hen te vergeven. Zij stonden immers verschrikkelijk in het krijt tegenover Hem: zij hadden Jezus lelijk in de steek gelaten, Petrus had hem zelfs verloochend, een van hen had Hem verraden. Langzaam dringt de werkelijkheid van deze overweldigende vergeving tot hen door, zodat ze getuigen worden van de vergevingsgezindheid van de verrezen Christus: wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven.

Er is een oude Russische legende over Maria. Maria is in de hemel. Met een grote menigte staat ze voor de troon van God. Iedereen zingt, maar Maria niet. Iemand vraagt haar: Maria, waarom zing je niet? Maria zegt dan: omdat er nog mensen in de hel zijn, ik moet hen eerst gaan bezoeken en Gods liefde voor hen openbaren, zolang zij daar lijden kan ik nog niet zingen. In het Tv programma Nieuwsuur was laatst een serie over oude mensen, ouder dan 90 jaar, die nog helemaal in het leven staan. Er was een oude vrouw bij, een kunstenares die nog steeds mooie kleurrijke schilderijen maakt. Zij woont helemaal alleen en was nog niet zo lang geleden brutaal en gewelddadig overvallen door twee jongens die haar beroofden. Die jongens waren gepakt en zaten hun straf uit in de gevangenis. Toen had zij die jongens een brief geschreven waarin ze schreef dat ze hun vergaf. Een van die jongens heeft haar teruggeschreven met de woorden: ik vind het verschrikkelijk wat ik u heb aangedaan, ik dank u dat u mij wilt vergeven, en ik wens u toe dat u nog lang en ongestoord van uw oude dag mag genieten. Die vrouw zei: wij mensen maken allemaal fouten, niemand is volmaakt. Als je niet kan vergeven ben je niet vrij. En als je geen vergeving krijgt ben je ook niet vrij. Vrijheid is het hoogste goed, vergeving maakt vrij. Moge dit steeds meer werkelijkheid worden in ons eigen leven, in onze omgang met de mensen om ons heen.

Preek op de 2e zondag na Pinksteren (18 juni 2017)

Als Utrechtse Byzantijnse gemeenschap zijn wij toegewijd aan de Moeder Gods van Wladimir. Op de icoon zien we de liefde tussen Christus en zijn moeder uitgebeeld. Heel innig, met de wangen tegen elkaar aan. Christus vertegenwoordigt God en Maria is symbool van de door God beminde mensheid, symbool ook van de kerk. De kerk is concreet hier en nu de lokale gemeenschap. Zoals Jezus in het evangelie gewone vissers riep zo zijn ook wij geroepen om van Gods liefde te getuigen. Een gemeenschap ben je pas als men je naam kent en als ze je missen als je er niet bent. Daarom is het koffie drinken na de viering zo belangrijk.

Tijdens de viering, voorafgaand aan de geloofsbelijdenis zingt de priester: laat ons elkaar liefhebben om eensgezind ons geloof te kunnen belijden. Wij belijden een God die liefde is en die in onderlinge liefde wordt ervaren.
We willen voortaan wat meer de geloofsbelijdenis in het Nederlands zingen, zodat iedereen mee kan zingen. In orthodoxe kerken gebeurt dat ook en dan in de taal van het land waar men de liturgie viert. Ons koor heeft een eenvoudige versie van deze belijdenis ingestudeerd, het is de tekst van de zogenaamde apostolische geloofsbelijdenis. In het Slavisch zingt het koor altijd de tekst van de geloofsbelijdenis die uitgebreider is en die de belijdenis van Nicea-Contantinopel wordt genoemd. De korte apostolische geloofsbelijdenis is niet van de apostelen zelf, maar stamt uit het jaar 170. De uitgebreidere geloofsbelijdenis is voor het grootste deel opgesteld door het Concilie van Nicea in 325, het laatste deel dat over de Heilige Geest gaat is in 381 toegevoegd bij het Concilie van Constantinopel.

Zowel de eenvoudige als de uitgebreide geloofsbelijdenis beginnen met de zin: ik geloof in God de almachtige Vader, schepper van hemel en aarde. In de eerste eeuwen waren er filosofische stromingen die zich niet konden voorstellen dat de verheven God zich inliet met de materiële wereld. Het materiële en ook het lichamelijk trok een ziel juist van God af, dacht men. Om God te vinden moest een geest zich van het aardse en lichamelijke losmaken, vooral door ascese. Men dacht dat een tussenwezen tussen God en wereld, de wereld geschapen had. De christelijke kerk protesteerde hier tegen. God is werkelijk schepper van hemel en aarde. Vanuit diezelfde filosofie kon men zich ook niet voorstellen dat God werkelijk mens is geworden. Daarom volgt in de geloofsbelijdenis dat Jezus Christus als Zoon van God van eeuwigheid uit de Vader voortkomt, dat Hij licht van licht is en ware God uit de ware God en dat Hij geboren uit de maagd Maria mens is geworden. Dit is het onvoorstelbaar groot mysterie van Gods liefde voor deze wereld!

Het concilie van Constantinopel voegde toe dat de Heilige Geest uit de Vader voortkomt en met de Zoon tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt. Karel de Grote gelastte tegen 800 dat hier werd toegevoegd dat de Geest voortkomt uit de Vader én de Zoon, in het latijn heet dat Filioque. Tweehonderd jaar lang hebben pausen tegen deze toevoeging geprotesteerd, totdat een paus zwichtte voor de druk van de Duitse keizer.
In 1054 leidde dit Filioque tot de breuk met de orthodoxe kerken. In onze Nederlandse byzantijnse gemeenschappen zingen wij de orthodoxe tekst en laten dit Filioque weg. Immers de Vader is de enige bron van alle goddelijkheid, zowel van de Zoon als van de Geest. De RK en protestantse kerken houden nog wel aan het Filioque vast.
De geloofsbelijdenis vervolgt dan met de belijdenis dat wij geloven in de kerk die één is, heilig, apostolisch en katholiek. Het Griekse woord katholiek betekent dat de kerk universeel is, en ruimte biedt aan mensen van allerlei talen en culturen. Een kerk kan dus niet nationalistisch zijn. Slavisch orthodoxen zeggen sobornuju, van sobor, dat gemeenschap betekent. Protestanten vertalen dit met algemeen.
Aan het einde belijden wij dat er vergeving van zonden is, en dat dit aardse leven een opgang is naar een vernieuwd leven, waar ook ons lichaam getransformeerd zal worden in een nieuw bestaan, als een deelhebben aan de Verrijzenis van Christus. Moge dit alles ons helpen om ons geloof meer bewust te belijden.

Preek van Pinksteren (5 juni 2017)

We hoorden hoe op Pinksteren de apostelen enthousiast over Jezus en zijn evangelie vertelden aan een menigte afkomstig uit allerlei volken, die allemaal een andere taal spraken. En het wonder was dat die hen verstonden. Onze menselijke taal kan ons mensen van elkaar afsluiten of juist verbinden. Er zijn woorden van vijandschap en oorlog en woorden verzoening en vrede. Woorden kunnen ook het mysterie van ons aller leven oproepen, zoals bij een mooi gedicht, maar woorden kunnen ook het mysterie ontluisteren, al is het maar door te veel geredeneer.

In dit Pinksterverhaal gebeurde het tegendeel van de torenbouw van Babel uit het boek Genesis. In Babel bouwden de mensen een enorme hoge toren. Toen ze er aan begonnen spraken ze  nog allemaal eenzelfde taal. Een taal die erop gericht was dat mensen een absolute macht konden vormen. Want de toren moest tot in de hemel reiken. Het werd een macht tegen God. God houdt niet van totalitaire macht waar iedereen aan onderworpen is. Daarom, zo wordt verteld, bracht God de taal van de torenbouwers in verwarring. Ze begonnen allemaal een andere taal te spreken. Daardoor staakten ze de bouw van de toren en verspreidden de mensen zich overal op de aarde. En dat was juist Gods bedoeling. Dat de aarde die God geschapen had tot in de verste uithoeken bewoond en ontwikkeld zou worden. Daardoor ontstond een veeltalige en veelvormige en veelkleurige wereld.

En toch kon het daar niet bij blijven. God koos zich een volk uit, met Abraham als stamvader, een volk dat een droom zou gaan koesteren van een nieuwe veelvormige eenheid onder de mensen. Een droom van vrede ook. Zo zegt de profeet Jesaja: op die dag zal de berg met de tempel van de Heer verheven zijn boven alle heuvels en bergen. Alle volken zullen daar heen stromen. God zal ons onderrichten en wij zullen zijn paden bewandelen. Dan zullen ze hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en lansen tot sikkels, geen volk zal het zwaard heffen tegen een ander volk, geen mensen zal nog weten wat oorlog is. Wij vieren vandaag dat er al iets van die profetie in vervulling is gegaan, hoe God een einde heeft gemaakt aan de Babylonische spraakverwarring.  Mensen gaan Gods taal verstaan en zelf spreken. De enige taal waardoor mensen elkaar over en weer kunnen begrijpen.

Tijdens de tweede wereldoorlog zat de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer in Berlijn in de gevangenis waar hij vlak voor het einde van de oorlog terecht gesteld is. Maar hij putte troost uit het visioen van het Pinksterfeest. Hij beluisterde in de taal van de Nazi’s, de toespraken van Hitler, een totalitaire taal, de taal van Babel. Een taal die eenheid afdwingt door anderen tot vijand te maken, met name de Joden. Ook in onze dagen is er nationalistische retoriek, ook in ons land, gelukkig meestal niet gewelddadig maar ook weer niet bepaald vriendelijk tegenover vreemdelingen. Bonhoeffer schreef dat juist de kerk de plaats moet zijn waar dit Pinksterwonder zich herhaalt en mensen zich oefenen om elkaar te leren begrijpen, hoe verschillend ze ook zijn.
De Heilige Geest breekt iets in ons open om verder te kijken dat het belang van je eigen groep, je eigen volk. Om bv open te staan voor vluchtelingen die aan de oorlog ontkomen zijn, mensen bezield met een groot verlangen naar vrede en eenheid tussen de mensen en die noodgedwongen nu in ons land hun weg moeten zoeken.

Beste mensen, mogen ook wij steeds meer leren om Gods taal te verstaan en ook te spreken. Een taal die niemand wil uitsluiten, een taal van vrede en die spreekt van vergeving als jou iets is aangedaan. Een taal van verzoening die een einde maakt aan vijandschap. Een taal die het mysterie oproept dat alle mensen omvat. Dat vraagt veel geloof en geduld. Want wij mensen spreken nog vaak een heel verschillende taal, omdat we zoveel verschillende belangen en uitgangspunten hebben. We moeten het diepe verlangen verstaan dat de meeste mensen diep in hun hart voelen: om met elkaar te mogen leven in vrede. En dit diepe verlangen herkennen en eerbiedigen. En daar in de praktijk van ons leven naar handelen.