Preken

Hieronder kunt u de meest recente preken nalezen die Vader Paul Brenninkmeijer voor onze gemeenschap hield.

Preek zondag van de tollenaar en farizeeër (21 januari 2018)

Het is vandaag de eerste zondag van de voorvasten. De kerk wil ons nu al voorbereiden om over vier weken de grote Vasten in de goede gesteltenis te kunnen beleven. De apostel Paulus zegt ons in het epistel dat wij trouw moeten blijven aan de geschriften, want daar vinden we de wijsheid die leidt tot ons heil. En zo horen wij in het evangelie over de nederigheid van de tollenaar, die zich bewust is van zijn fouten en God om vergeving vraagt. En tegelijk worden we gewaarschuwd voor de hoogmoed van de farizeeër die meent dat het wel dik voor mekaar met hem is, en die neerkijkt op de tollenaar daar in diezelfde tempel.

Hoe moeten we dit plaatsen in onze eigen tijd? Als je jezelf gelovig noemt merk je hoe we langzamerhand in een niet-gelovige cultuur leven. In de media wordt vaak schamper gedaan over geloof als iets dat achterhaald is. Ga jij nog naar de kerk, krijgen kerkgangers nogal eens te horen. Let op dat woordje ‘nog’, dat suggereert dat je met je geloof of kerkgang tot een uitstervende diersoort behoort. Er bestaat zeker een arrogante betweterigheid bij hen die geloof minachten. Alsof de Bijbel een verouderd sprookjesboek is en dat nu de wetenschap alle grote vragen oplost. Anderen wijzen op het geweld dat voortkomt uit geloof, waardoor andersdenkenden worden bedreigd. Er is vaak weinig oog voor het goede dat ook uit geloof voortkomt. Dat is allemaal waar.

Maar de vraag is hoe wij als gelovigen hierop moeten reageren.
Er is het gevaar dat wij als gelovigen gaan neerkijken op ongelovigen. Het is voor ons te makkelijk om niet-gelovigen te veroordelen, en ook lang niet altijd terecht. Niet-gelovige vrienden benadrukten laatst tegenover mij dat ze heus geen materialisten zijn, dat ze heus wel spiritueel zijn, ook al zoeken zij het niet in de kerk. Ik had hen de indruk gegeven dat ik hen veroordeelde, het speet mij dat ik die indruk gewekt had. Als gelovigen moeten we oppassen niet-gelovigen te veroordelen. Veel niet-gelovigen tonen in hun manier van leven een grote verantwoordelijkheid voor anderen, voor het welzijn van deze wereld. Veel niet-gelovigen verzetten zich tegen een beeld van God, dat ook wij als gelovigen verschrikkelijk en onjuist vinden. God is geen boeman die mensen straft met allerlei onheil, God is geen politieagent die ons bij het overtreden van allerlei regels wil betrappen of beboeten. Het heeft ook niet veel zin om met niet- gelovigen in discussie te gaan over de vraag of God bestaat of niet.

Als gelovigen gaat het er niet zozeer om óver God te praten, maar eerder tot God en vanuit God te spreken. Ook moeten wij als gelovigen erkennen dat ook wij zelf grote vragen hebben. Niet voor niets vertelt het evangelie over de apostel Thomas die grote vragen had bij Jezus’ verrijzenis. En we kennen het verhaal van Job die in zijn lijden grote vragen naar God toe uitschreeuwde. En heeft Jezus zelf niet op het kruis uitgeroepen. God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?
De Tsjechische priester Tomas Halik schrijft dat hij het met veel argumenten van atheïsten eens kan zijn, alleen, zo zegt hij: ze missen één ding: ze missen geduld met God.
Vandaag stelt Jezus ons de tollenaar als voorbeeld. De tollenaar voelt de ellende van zijn mislukte leven. Hij voelt de veroordeling van de mensen om hem heen. Hij zoekt zijn toevlucht bij God. Hij heeft geduld met God en vertrouwt dat God geduld heeft met hem.  De tollenaar legt de diepste levensvraag van elke mens bloot. Die fundamentele vraag is niet zozeer: bestaat God, maar: houdt God van mij, kan God mij accepteren, ondanks mijn gebrekkigheid? De kwestie is: durf ik mij aan die Liefde die van God uit naar ons mensen toegaat, toe te vertrouwen? Afgelopen zondag was in het tv-programma College Tour de secretaris-generaal van de VN Gutierrez te gast. Hij bleek een gelovig katholiek die in zijn jonge jaren in Lissabon in een sloppenwijk wiskundeles gegeven had aan jongeren. Eén van die oud leerlingen van hem zei in een filmpje. Gutierrez gelooft in God, en hij laat zien dat geloof in God tegelijk het liefhebben van je naaste inhoudt. Geloof zonder liefde stelt niets voor.

Preek Tweede Kerstdag  (26 december 2017)                                                                 Stille nacht, heilige nacht, is een graag gezongen lied met Kerstmis. De komst van God in deze wereld gebeurt in stilte. Het lijkt alsof God pas kan spreken als ons menselijke rumoer verstomd is. De stilte is een tweestemmig lied waarin God en mens elkaar raken, zo luidt een dichtregel.
Gisteren hoorde ik de 3e symfonie van Mahler, daarin zingt een alt: o Mensch, gibt acht, Was spricht die tiefe Mitternacht. In het Bijbelboek Wijsheid staat: Terwijl in het midden van de nacht een diepe stilte alles omgaf daalde uw goddelijk woord van de hemelse troon. Vanouds hebben christenen hierbij gedacht aan de geboorte van Christus. Haast ongemerkt komt God bij deze geboorte ons mensen nabij.

In het OT is het afdalen van God naar deze wereld meer spectaculair. Denk aan het verschijnen van God op de berg Sinai met bliksem en donder. De toeschouwers sidderden. Of de redding van het joodse volk uit de slavernij in Egypte: het droogvallen van de zee. Dit boezemde de joden een diep ontzag in. Uit ontzag voor God mogen Joden de naam van God niet uitspreken. In plaats van de Godsnaam JHWH, gebruikt men het woord Adonai dat Heer betekent. Zo wordt de verhevenheid van God en de afstand van God tot ons mensen benadrukt. Maar die letters JHWH openbaren wel hoe God Zich bij het brandend braambos aan Mozes bekend maakte. Zijn  naam betekent: ik zal er voor jullie zijn. En dat slaat juist op de nabijheid van God aan ons mensen. En de profeet Jesaja spreekt over de komst van de Messias als Emmanuel: God met ons. De profeet Jesaja beschrijft ook de Messias als iemand die niet schreeuwt of roept, die zijn stem niet verheft op straat, maar die het geknakte riet niet zal breken en de kwijnende vlam niet zal doven. Dit duidt dus op Gods nabijheid in onze mensenwereld.

Voor ons christenen zijn deze profetieën in Christus vervuld. Als God zo dichtbij is gekomen, wordt de afstand tussen God en mens verkleind, verdwijnt de angst van de mens voor God. U kent waarschijnlijk wel die bekende icoon uit de zesde eeuw na Christus in Egypte geschilderd. We zien op die icoon hoe Christus heel dicht naast een heilige monnik staat en hoe Christus zijn arm om hem heen slaat en zijn hand op zijn schouder legt. Zo nabij, zo vol vriendschap. Er is geen afstand, maar nabijheid. Veel christenen denken vandaag de dag bij God aan de kracht die God hen geeft om de opgaven van het leven aan te kunnen, God die in ons aanwezig is als de stimulans om het goede te doen, God ook als troost die je helpt bij het dragen van groot verdriet.

De nabijheid van God tot ons mensen gaat heel ver. Bij de geboorte van Jezus vertelt de evangelist Lucas hoe uitgerekend de herders de eersten zijn die de pasgeboren Messias mogen ontmoeten. Deze herders symboliseren alle mensen in de marge die Jezus later zal opzoeken, zoals de tollenaars en zondaars met wie hij samen aan tafel zal aanzitten. En de evangelist Matteus vertelt hoe vreemdelingen, niet joden, de Messias vinden in een weerloos kind. Vreemdelingen en  herders stonden niet bepaald als vrome gelovigen bekend.  Als God aan ons mensen nabij komt toont Hij zich solidair met mensen die door de meerderheid vaak over het hoofd gezien worden. Gods nabijheid is een verborgen aanwezigheid.

Wij beleven in onze tijd dat het christendom hier sterk aan macht inboet en maatschappelijk steeds meer een randverschijnsel lijkt te worden. Dat kan ons als christenen juist meer solidair maken met andere mensen die ook tot een minderheid behoren. In het Amsterdamse Rijksmuseum zag ik een foto tentoonstelling van mensen die statenloos zijn. Mensen zonder burgerrechten. Mensen die officieel niet mogen bestaan omdat ze geen papieren hebben.  Omdat hun land van herkomst ze niet geeft of omdat ze hier in Nederland wel geboren zijn maar toch niet erkend worden door bureaucratische regels. Bij elke foto las ik een schrijnend verhaal. Toevallig was ik er alleen in die zaal. Zwijgend keken die statenlozen mij aan. Ziet Christus zelf ons niet aan in hun ogen? Past de stilte rond deze vergeten mensen niet bij de stilte van de Kerstnacht?

Preek op de zondag Voorouders des Heren   (17 december 2017)                           In het evangelie horen wij over de uitnodiging tot het feestmaal van Gods Koninkrijk. En hoe de eerst genodigden de uitnodiging afslaan. Het komt hun niet uit, dit feest. Het verstoort hun normale leventje. Ze hebben ieder een excuus. De boer met zijn akker, de handelaar met zijn vee, de pasgetrouwde met zijn jonge vrouw. Zo kan de uitnodiging die God tot ons richt ook ons leventje verstoren, ja soms zelfs op zijn kop zetten. Wie echt door God geraakt is in zijn leven kan daarvan meepraten. Mensen die op latere leeftijd tot geloof zijn gekomen, vertellen vaak hoe God aan de deur van hun hart klopte en hoe hen dat aanvankelijk stoorde en verontrustte.
De Heilige Augustinus vertelt er van in zijn belijdenissen. Hij verzucht dan bijvoorbeeld tegen God: Heer laat me kuis zijn maar nu nog niet. Als pastor heb ik vaak van mensen ontmoet die op latere leeftijd,  een bekering doorgemaakt hebben. Hoe ze zich soms jarenlang tegen geloof en kerk hebben verzet, totdat er een ommekeer volgde. Ze moesten zich gewonnen geven. Ze gingen weer naar de kerk. Ze ontdekten of herontdekten het geloof als iets dan hen in beslag neemt. Ze nemen de tijd voor gebed en bijbellezing. Als hun levenspartner die dit niet heeft meegemaakt, kan die het er moeilijk mee hebben. God is kennelijk nog steeds bezig om mensen voor zich te winnen. Maar er zijn ook mensen die de roepstem van God in de wind slaan of die zich er nog tegen verzetten.

Een oude monnik in de woestijn van Syrië vergeleek eeuwen geleden het mensenhart met een steen. En Gods bezig zijn met mensen vergeleek hij met een waterkruik die boven die steen hangt. De monnik zegt: het water heeft een zachte natuur, de steen is hard. Maar als het water uit die kruik gestadig steeds over de steen druppelt, druppel voor druppel dan zal dat op den duur die harde steen uithollen. Het gaat er om dat wij allemaal ons hart voor God gewonnen geven, dat ons stenen hart een week hart wordt. Of zoals de profeet Ezechiel het noemt: een hart van vlees.
De oude woestijnmonnik bedoelde te zeggen dat wij iedere dag naar Gods woord moeten luisteren, het tot ons door moeten laten dringen, druppel voor druppel, dan zal het ons omvormen. Als je in een enkele keer een grote plens water over een steen uitgiet, dan stroomt dat water gewoon van die steen af. Er verandert niets aan die steen. Een enkele bijzondere ervaring van God al is die nog zo indrukwekkend, is nog niet voldoende. Het gaat om die dagelijks oefening. Het gaat er om dat wij ontvankelijk worden, dat er een holte komt in onszelf. Door die holte kunnen wij vervuld worden van Gods liefde.

In het evangelieverhaal wordt tenslotte verteld dat er armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden zijn die wel spontaan op Gods uitnodiging voor het feestmaal ingaan. Juist mensen die veel ellende meemaken, die gebrek en verdriet ervaren kunnen vaak heel open zijn voor de roepstem van God. Gevangenis-pastores vertellen hoe veel geloof zij onder gevangen tegenkomen. Natuurlijk kunnen mensen die veel hebben meegemaakt net zo goed  verbitterd en verhard worden. Maar als ze de houding hebben van iemand die niets meer te verliezen heeft staan ze open voor God. Er is in hen een holte gekomen. Terwijl mensen die niet zo veel hebben meegemaakt, die het voor de wind gaat, vaak heel erg gebonden zijn aan wat ze willen vasthouden. Ze verdedigen steevast hun belangen, net als de mensen die zich gebonden voelen aan hun akker, hun vee en hun huwelijk en daar in opgaan. Hun hart is nog niet week geworden.

Juist in deze weken voor Kerstmis wordt ons dit evangelie verteld. Om ons voor te bereiden op dit grote feest. Dat wij niet te zeer opgaan in onze gewone dagelijks dingen, zodat we de uitnodiging van het komen van God in ons eigen leven, het feest dat Hij met ons wil vieren, zouden missen. Mogen we de komende tijd goed benutten om Gods woord druppel voor druppel dagelijks op ons in te laten werken. Opdat ons hart helemaal ontvankelijk wordt. En wij de vrede van het kerstfeest innerlijk, in kalme stilte blijven koesteren, niet te veel gehinderd door de onrust en het rumoer van de wereld om ons heen.

Preek op de 24e zondag na Pinksteren  (19 november 2017)

Soms maken mensen dingen mee die een ware beproeving zijn. Ik zag op de TV een reportage van een oude man met een dementerende vrouw. Hij wijkt niet van haar zijde en helpt haar  de hele dag door. Een deskundige zei dat veel mantelzorgers van dementerenden het vaak niet kunnen volhouden en soms zelf bezwijken. Het is maar een voorbeeld van beproeving.
We lezen over beproeving ook in het evangelie van deze zondag. De vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiing lijdt, lijdt niet alleen lichamelijk: ze gold in de joodse samenleving als onrein en mocht ze zich niet onder andere mensen begeven. Het leven werd voor haar een beproeving. Ze hoort er helemaal niet meer bij. Toch waagt ze zich met angst en beven in de menigte om bij Jezus genezing te vinden. Ze wil alleen maar zijn kleed aanraken en als Jezus voelt dat er een kracht van hem uitgaat, en vraagt: wie heeft mij aangeraakt, komt ze bevend tevoorschijn.
Ook voor Jairus en zijn vrouw is de dreigende dood van hun dochtertje een beproeving. Het oponthoud dat de bloedvloeiende vrouw met haar genezing geeft, is voor Jairus een extra beproeving, want de kans dat Jezus nog op tijd komt om zijn dochter te genezen wordt kleiner.

In het Onze Vader bidden wij dat God ons niet in beproeving brengt. Toch worden we in ons leven allemaal wel eens beproefd. Beproeving lijkt onontkoombaar. Misschien is de protestantse vertaling met het woord ‘verzoeking’ een beter woord. Verzoeking betekent dat je zó beproefd wordt dat je je geloof en vertrouwen dreigt op te geven. Verzoeking betekent dat je in de verleiding komt om alle hoop te laten varen.
De kerkvader Cyrillus van Jeruzalem vergelijkt bij de uitleg van het Onze Vader de beproeving in ons leven met het zwemmen door een woeste rivier.  Het gaat er om dat we het zwemmen niet opgeven en daardoor in het water naar de diepte zakken. Daar bidden we voor. Dus dat we in de beproeving niet zullen bezwijken. Het bijzondere bij de vrouw die aan bloedvloeiing lijdt en bij Jairus is dat ze hun vertrouwen niet opgeven. Jezus helpt Jairus daarbij. Als de buren hem vertellen dat zijn dochtertje gestorven is, zegt Jezus tegen hem: wees niet bang, blijf geloven, dan zal zij gered worden. En zo gebeurt het: het dochtertje komt weer tot leven.

De apostel Jakobus schrijft in zijn brief dat we ons gelukkig moeten prijzen als ons allerlei beproevingen overkomen. Want beproeving geeft standvastigheid in ons geloof. Zalig de mens die stand houdt in de beproeving.
In het oude testament is het Job die met goedkeuring van God door de satan in de beproeving komt. Satan neemt hem alles af. Job raakt al zijn bezittingen kwijt en zelfs zijn kinderen komen om. Op het laatst zit hij met zweren overdekt op de mestvaalt.  Zelfs zijn vrienden laten hem in de steek. Ze bezweren dat Job deze ellende toch wel verdiend moet hebben, dat het zijn eigen schuld is. Daar protesteert Job fel tegen. Maar de vrienden houden hun beschuldigingen vol, Job heeft een zondig en opstandig hart, zeggen ze. Dit alles is een extra kwelling voor Job. Hij houdt tegen zijn vrienden vol dat hij onschuldig is. Job zegt tegen die zogenaamde vrienden: dat hij blijft uitzien naar God. Hij zegt dat God zijn verdediger is. Ik weet dat mijn verdediger leeft. Eens zal Hij deze wereld binnentreden. En al ben ik nu nog zo geschonden, ik zal God zien vanuit dit lijf. Job bezwijkt niet in de beproeving, maar is een voorbeeld van geduld.

De kerkvaders hebben in Job een voorafbeelding gezien van de lijdende Christus, die ook helemaal onschuldig is. En net als bij Job staat God het toe dat Christus moet lijden bij de geseling en de verschrikking van de kruisiging. Op het laatst erkent Job de grootheid van God die hij ontwaart in de schepping. De grootheid van God die Christus ons allemaal openbaart in zijn verrijzenis uit de dood. En is de opwekking uit de dood van het dochtertje van Jairus niet een verwijzing naar deze verrijzenis? Ook Job wordt uit zijn ellende gered en met rijkdom en voorspoed beloond. Bidden wij dat wij het zelf ook volhouden als een zware beproeving ons overkomt en dat wij in geloof blijven uitzien naar redding en verlossing.

Preek op de zondag Vaders van het 7e concilie (15 oktober 2017)
(tevens viering van het jubileum van Wladimirskaja en Pokrofdag)

We hoorden net hoe de evangelist Johannes het meest innige gebed van Jezus verwoordt dat denkbaar is. Het is lofprijzing, maar ook smeking, in vertrouwen. Dit is taal van intimiteit en die  behoort tot de eerste taal die wij mensen leren spreken, waar we papa en mama leren zeggen, en met koosnamen, zoals Jezus hier God met een koosnaam Abba, Vader noemt, ongekend in de joodse traditie. In onze cultuur lijdt deze eerste taal, de taal van de intimiteit een kwijnend bestaan. Heel kort leeft deze taal op als jonge mensen voor het eerst verliefd worden. Maar in het gewone leven krijgen andere vormen van taal de overhand. Vooral de informatieve taal, die we op school leerden, de taal ook van de media die ons op de hoogte brengen van wat er in de wereld gaande is, de taal van wetenschap en techniek. Daardoor oefenen we een vak uit, en beheersen wij mensen de wereld.
En dan is er nog een derde vorm van taal, dat is de taal van het bevel, dit moet je doen, en dat moet je laten, die leren we ook al jong, als we een keel opzetten kunnen we anderen onze zin opleggen. Deze taal van het bevel beheerst ook de reclame. Maar als er weinig intieme taal is wordt het wel kil om ons heen.

In het evangelie leert Jezus ons weer  deze taal van de intimiteit. Dit is het ware leven, zegt Jezus, dat zij U kennen, dat is geen rationeel kennen, met ‘kennen’ bedoelt Jezus dat wij echt met God mogen omgaan, omdat er wederzijdse liefde is tussen God en ons. En zo neemt Jezus ons mee in zijn gebed tot de Vader, zodat ook wij God mogen verheerlijken: Blagoslowi Doesje moja Gospodi: loof mijn ziel de Heer, we mogen vanuit verwondering om ons bestaan de Bron van alles loven en danken.
En tegelijk staan we hier biddend met opgeheven handen, omdat wij mensen uiteindelijk onszelf niet kunnen redden. Gospodi pomiloej, Heer, ontferm U. Omdat het leven ons ook pijn doet en we vragen hebben waar we niet uitkomen. Maar met die vragen staan we niet alleen, maar samen met anderen worden we hier in de liturgie verbonden.

Juist de byzantijnse liturgie zoals wij die hier en in de andere byzantijnse gemeenschappen vieren roept dit intieme Geheim achter alles bijzonder bij ons op. Onze naam Pokrof verwijst naar de sluier die de Moeder Gods beschermend over Gods volk uitspreidt, zoals eens, meer dan 1000 jaar geleden, in Constantinopel, we zien het uitgebeeld op de Pokrof-icoon.  Hier gaat het om genade, om troost en verzoening, woorden die je mist bij alle informatieve taal en bij alle reclame en verordeningen die dagelijks op ons afkomen.  Nu hoeft taal niet alleen uit woorden te bestaan.
Een paar maanden geleden was ik in TivoliVredenburg bij een orkestuitvoering van l’Ascencion van de Franse componist Messiaen. Daar werd dit gebed tussen Jezus en de Vader, zoals we dat vandaag in het evangelie hoorden verklankt door een orkest. De volle zaal luisterde ademloos. Zelden hoorde ik mooier in muziek vertolkt wat een gebed is. Soms zijn in onze tijd woorden niet voldoende om een boodschap over te brengen. Muziek kan soms meer dan woorden alleen overtuigen en dat zelfde geldt voor de taal van het beeld, en vooral de icoon.

De icoon spreekt  een eigen taal. We gedenken op deze zondag de Vaders van het 7e algemene concilie van 787. Dat ging over iconen. In de mens Jezus Christus heeft God ons een icoon van Zichzelf gegeven, zichtbaar en tastbaar, niet enkel voor de 33 jaar dat Jezus op aarde leefde, maar voor altijd en wel door iconen, geschilderd of in mozaïek. Door mensenogen kijkt God ons aan in de icoon, sprekend zonder woorden, vol mededogen, en met een oproep die moeilijk te weerstaan is. Zo leert Christus ons om in de ogen van medemensen het geheim te ontdekken. In de ander die wij ontmoeten licht iets op van God zelf. Die ander heeft iets heel eigens waar God nauw mee verbonden is.
We leven temidden van een rationele maatschappij, waar de taal van de intimiteit schaars is  De goddelijke liturgie spreekt een taal van ontzag en verwondering en ook van innigheid en warmte en kan ons tot dankbaarder, vrijgeviger en liefdevollere mensen maken, ten diepste verbonden, met elkaar en met God.