Preek op de Zondag na Kruisverheffing, 18 sept. 2022

Woensdag vierden wij het feest van Kruisverheffing. Na de vondst van het kruis in Jeruzalem is op 13 september 335 de Heilig Grafkerk ingewijd. Sindsdien wordt overal op 14 sept. plechtig het kruis vereerd. En dat doen wij straks aan het eind van deze viering ook.
Vreemd is het dat wij als katholieken zo gewend zijn aan het kruis, dat ons nauwelijks meer opvalt hoe verschrikkelijk dit beeld is, een gemarteld lichaam van een stervende. Maar wie goed kijkt kan verwonderd raken. Waarom hangt dit beeld van gruwelijk lijden in onze huiskamers en hoog verheven in een kerk? Hier zien we een volkomen onschuldige. De gelaatsuitdrukking van deze gekruisigde, en zijn wijd uitgestrekte armen, het kan je diep raken. Hier  kunnen we iets ervaren van een grenzeloze liefde, een energiebron voelen van enkel goedheid, sterker dan welke andere kracht dan ook. Onweerstaanbaar, iemand die in vrijheid het lijden op zich nam en zijn leven gaf. Niet enkel voor een plaatselijk en beperkte zaak, maar universeel, voor heel de wereld en voor iedereen. Is dit niet het goddelijke dat in deze gekwelde mens verschijnt?  De hoogste kracht die er is om werkelijk vrede en eenheid te brengen in een verdeelde en door haat en oorlogsgeweld verscheurde wereld. Hoe je zelf ook staat in deze wereld, tot welk volk of welke partij je behoort, welke belangen je vertegenwoordigt, welke waarden je ook verdedigt tegen anderen met hùn waarden en belangen.
Opkijkend naar het kruis van Jezus kun je maar een ding doen: je gewonnen geven aan zoveel liefde. Hier zwijgen alle redeneringen. Geraakt door deze uitstraling van goddelijke liefde hoor je de stem van de gekruisigde, Vader vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen. Je hoort zijn boodschap aan de moordenaar naast hem: heden zul je met mij zijn in het paradijs. Dit slaat alle wapens waarmee je een ander zou willen aanvliegen, uit handen. Ook al is die ander nog zo’n grote schoft.

Ons geloof is vol paradoxen. Vol schijnbare tegenstellingen. Het overstijgt alle logica. Natuurlijk moet onrecht gestraft worden. Niemand die het leven van onschuldigen moedwillig vertrapt en vernietigt kan vrij uit gaan. En tegelijk is er een barmhartigheid die groter is dan rechtvaardigheid. De paradox ook van tegelijk lijden en dood, en tegelijk de overwinning daarvan. Die tegenstelling was er ook in Jezus zelf. Hij huilde bij het graf van zijn gestorven vriend Lazarus. En tegelijk riep Hij Gods Verrijzenis-kracht af over diens dode lichaam. De evangelist Johannes beschrijft het lijden van Jezus tegelijk als een verheerlijking. Zijn vernietigende kruisiging als een verheffing. Zijn verschrikkelijke doodsstrijd met zijn God verlatenheid en zijn verheerlijking vloeien in elkaar over. Van het kruis gaat een intense liefde uit.

Ik ontmoette laatst een Nederlander die veel in Oekraïne komt en daar heel veel goeds doet, speciaal voor kinderen. Hij was net uit dit land teruggekeerd. Hij toonde mij foto’s van kinderen in Oekraïense ziekenhuizen met geamputeerde armpjes en beentjes. Sommigen liggen aan beademingsapparatuur. Onder de dreiging dat een raketinslag de stroom afsluit en zo’n kind zal stikken. Deze Nederlander is een actie begonnen is om die ziekenhuizen daar van zonnepanelen te voorzien, zodat er in elk geval stroom blijft. Die grenzeloze liefde die van de Gekruisigde gaat uit naar de miljoenen onschuldige lijdende mensen overal in de wereld. Het kruis van Christus is niet bedoeld om met de beschuldigende vinger naar anderen te wijzen, maar spoort ook ons aan om zelf alles te doen wat wij kunnen om Christus liefde naar slachtoffers toe zichtbaar te maken.

vaderr Paul

 

Preek op de 11 e zondag na Pinksteren, 21 aug.  2022

De schuld van die dienaar in bij die rijke koning is werkelijk onvoorstelbaar groot. Maar liefst honderd miljoen denaries. Een denarie was het dagloon van een loonwerker. Gewone mensen hadden hooguit tien of twintig denaries in huis. Zo’n enorm groot bedrag konden de hoorders van Jezus zich alleen voorstellen bij  puissant rijke buitenlandse vorsten, hoewel Koning Herodes de Grote en zijn zonen ook beslist niet arm waren. De eerste reactie van de koning op deze gigantische schuld past wel bij het beeld dat de gewone mensen van wrede heidense heersers hadden. De schuldenaar moet het bedrag tot de laatste cent betalen, anders
worden hij en heel zijn gezin als slaven verkocht. Heidense heersers permitteerden zich zulke praktijken, de joodse wet verbood de verkoop van vrouw en kinderen van iemand die schulden had. Maar de knecht in de parabel valt voor zijn Koning op de knieën en smeekt om geduld zodat hij zijn schuld terug kan betalen. Hierop krijgt de Koning medelijden. Niet een beetje maar het hele gigantische bedrag wordt hem kwijtgescholden. Dan vertelt Jezus over een mededienaar die bij de van zijn schulden bevrijde man in het krijt staat met een kleine som van 100 denaries. Deze mededienaar gebruikt dezelfde woorden als de man met de gigantische schuld: “heb medelijden met mij”. Wij weten hoe het afloopt. Die kwijtgescholden dienaar is meedogenloos en eist dat die ander het hele bedrag terugbetaalt. Tot woede van de mensen die ervan horen en ook van de koning die hem zijn enorme schuld nu helemaal terugeist. Wat een triest verhaal! Voor medelijden is geen plaats meer. Waar blijft compassie?

Afgelopen maandag was het feest van Maria’s ontslapen en wij bezongen zojuist Maria met een tropaar en een kondak. Van Maria kunnen wij leren wat compassie en mededogen is. Er bestaat een oud verhaal dat Maria in het hemelkoor staat samen met talloze andere heiligen en engelen om God te loven en te prijzen, Maar Maria kan in dat hemelkoor toch niet mee zingen. Dan wordt gevraagd aan Maria: waarom zing je niet mee? Zij antwoordt: ik kan niet meezingen zolang er nog mensen in de hel zijn. Ik wil hen bezoeken en hen iets van compassie, van medelijden en van barmhartigheid laten voelen. Dit stelt een vraag aan ons. Hoeveel ruimte is er bij ons voor compassie?

Jaren geleden was er grote beroering in ons land omdat de regering de drie Duitse SSers, gestrafte beulen van het concentratiekamp Amersfoort die al jaren in Breda gevangen zaten vrij wilde laten. Dit werd door de Tweede kamer afgewezen. Maar een aantal jaren later toen een van die drie al gestorven was en de andere twee heel oud waren kregen deze toch de vrijheid, mede op aandringen van Abel Herzberg, een prominente jood die het kamp in Bergen Belsen had overleefd. Juist deze jood die zelf de wreedheid van de SS ervaren had, pleitte voor compassie.
Van de week was de herdenking van de slachtoffers in Nederlands Indië, vooral de Nederlanders die te lijden hadden door de Japanse bezetters. Er waren mensen die het er niet mee eens waren dat de Indonesische Ambassadeur daar een prominente plek had gekregen. Er waren destijds immers Nederlanders slachtoffer geworden van de voor hun vrijheid vechtende Indonesiërs. Men vergat dat omgekeerd in de jaren na 1945 door Nederlandse militairen heel veel Indonesiërs met geweld zijn omgekomen.
Een laatste vraag nog: hoeveel compassie is er in ons land voor vluchtelingen die hier in de open lucht moeten slapen, terwijl er bezwaren zijn tegen uitbreiding elders van de bestaande opvang. Vluchtelingen uit oorlogsgebieden, die niets misdaan hebben, die de hel van oorlog, vervolging en geweld zijn ontvlucht. Hoeveel compassie is er in onze eigen samenleving, het is maar een
vraag.

vader Paul

Preek op de 2e zondag na Pinksteren,  19 juni 2022

Medechristenen, 
zojuist hoorden we het roepingenverhaal van de leerlingen. Het staat er bijna geschreven als een historisch verhaal, hoe de samenstelling van het apostelcollege tot stand is gekomen. Maar zo is het niet. Voorafgaande aan dit gedeelte van het roepingenverhaal wordt de moord verhaald op Johannes de Voorloper. En er staat geschreven: “Toen Johannes gevangen was genomen, week Jezus uit naar Galilea”. Een vluchtgedachte? Angst? Achter de moord zat een grote tragedie. Het was zoiets als de geheime politie, die anderen inhuurt om te doen wat ze zelf ook niet mogen en dan de schijn wekken: “daar hebben we niets mee te maken”. Maar inmiddels is men wel blij met het gebeurde.   
Het uitwijken van Jezus was noch vlucht noch angst.  En Hij verschool zich evenmin. Integendeel: tegenover de macht van de tirannie van Herodes, zou zijn woord een bres slaan in de macht, die in Jeruzalem werd gevoerd. Een nieuwe macht, maar wel één die kracht uitstraalde: geen hard geweld, maar een liefdesboodschap, niet met het zwaard, maar met een menselijk gezicht.

Momenteel worden wij in Oost-Europa met een onstuimige macht geconfronteerd. En die macht zit in Moskou. Ik hoor soms zeggen: “Ze moeten Moskou opblazen”. Daarmee worden niet de miljoenen inwoners van de stad bedoeld,  maar het kwaad dat er zetelt.
In het zojuist gezongen troparion van het feest van de Moeder Gods Vladimirskaja – patroon van onze gemeenschap – werd gezongen dat “feestelijk de roemvolle stad Moskou wordt bejubeld”. Hoe valt dat te rijmen? Het (gezang) troparion wijst op de kracht van de aanwezigheid van de icoon van de Moeder Gods Vladimirskaja, die sinds de Middeleeuwen in Moskou verblijft. Aanvankelijk werd deze icoon aangeboden aan de grootvorst van Kiew, de tóenmalige hoofdstad in Oost-Europa. Volgens een legende stopten de paarden, die de icoon daarheen vervoerden bij de stad Vladimir en dit werd beschouwd als een hemels teken, dat de Moeder Gods in Vladimir moest blijven en men bouwde er de kathedraal van Maria Tenhemelopneming. Tijdens een invasie van Timoer-Lenk in de 14e eeuw werd de icoon ter bescherming naar de toenmalige nieuwe hoofdstad vervoerd: Moskou. En welk wonder gebeurde? De volgende dag trok het leger van de wrede krijgsheer op onverklaarbare wijze terug uit de strijd.
De icoon kreeg toen een plaats in de kathedraal van het Kremlin en in de eeuw erna zou de icoon opnieuw de stad Moskou hebben gered van een volgende invasie van de Mongolen in de 15e eeuw en daarna kreeg deze icoon een plaats bij bijzondere vieringen zoals bij de kroning van de tsaren, de verkiezing van patriarchen en andere officiële plechtigheden. Men beweert zelfs dat Stalin in 1941 opdracht gegeven heeft bij de komst van de Duitse troepen met de Vladimirskaja-icoon rondom de belegerde hoofdstad te vliegen. Feit is, dat enkele dagen nadien het Duitse leger de aftocht blies. Thans is de icoon geconfisqueerd door het regiem maar hij heeft een plaats gekregen in de kerk van de H. Nicolaas, die behoort tot de Tretjakofgalerij.

Het stelt ons de vraag: wat moeten wij met die verhalen? Voor de bron van dit alles moeten we terug naar het evangelie van deze zondag: welke roeping is mij gegeven? We hoorden van de merkwaardige roeping van de leerlingen. En op dit feest van de Moeder Gods Vladimirskaja moeten we in ons in herinnering brengen de roeping van Maria als Moeder van de Heer en Behoedster van alle volken. Het mag in mij/in ons de vraag oproepen: wat is mijn roeping: in rustige en roerige dagen, in stille en drukke tijden, in gezondheid en ziekte, in verbondenheid en in eenzaamheid? Er ligt nergens een blauwdruk klaar voor mijn roeping. Deze zullen we van tijd tot tijd steeds in ons zelf en in contact met de Heer mogen ontdekken. Daarbij mogen we de wijsheid en de voorspraak van Maria aanroepen en als Koningin van de vrede eren, waar in deze tijd en in onze wereld naar verlangd wordt. Jezus weet zijn volgelingen te vinden; ook ons! Hij nodigt ze uit en heeft geduld met ze; ook met ons! Hij leert en toont wat de kracht in de mens vermag. Hij haalt het beste uit zijn leerlingen naar boven, opdat zij toegerust zijn om de mensheid te dienen. Hij sluit aan bij hun levensgevoel.Aan ons is het gegeven in vrijheid te leven. an ons is het gegeven de Geest door te geven, de Geest waarvan we twee weken geleden op uitdrukkelijke wijze vierden, dat deze onder ons gekomen is Aan ons is gegeven het liefdesgebod een gezicht te geven.

In de Romeinenbrief hoorden we zojuist, dat zelfs diegenen, die handelen in Gods Geest – ofschoon zij de geest niet kennen – toch gehoor vinden bij Hem, omdat zij tonen dat zij leven vanuit hun hart, waarin de wet geschreven staat. Hoeveel te meer mogen wij ons gedragen weten door Gods woord om het goede te doen? Dat wij de moed hebben in onze dagen hen te ontmoeten, die om die liefdesboodschap vragen, opdat wij in het voetspoor van de Heer en in navolging van de apostelen en Maria de wereld vol maken van Gods Geest. Want door Gods Geest schonk Maria het leven in deze wereld en trokken de leerlingen erop uit. Dat ooit de wereld zal kunnen zingen: “dat heden feestelijk de roemvolle stad Utrecht jubelt” omdat wij die vrede hebben bewaard en doorgegeven. 

Amen.
vader Wim Tobé

 

Preek op Pinksteren,  6 juni 2022

Op Pinksteren zijn de apostelen enthousiast over Jezus en zijn evangelie gaan vertellen. Voor een menigte afkomstig uit allerlei volken, die allemaal een andere taal spraken, maar hen toch verstonden. Onze menselijke taal kan ons van elkaar afsluiten of juist verbinden. Er zijn woorden van vijandschap en oorlog en woorden van verzoening en vrede. Woorden kunnen ook het mysterie van ons leven oproepen, zoals bij een mooi gedicht, maar woorden kunnen ook het mysterie ontluisteren, al is het maar door te veel geredeneer.
Op dit Pinksterfeest gebeurde het tegendeel van de torenbouw van Babel. In Babel bouwden de mensen een enorme hoge toren. Toen ze er aan begonnen spraken ze allemaal eenzelfde taal. Maar wel een taal waardoor ze een absolute macht zouden vormen. Want de toren moest tot in de hemel reiken. Een macht tegen God. God houdt niet van totalitaire macht waaraan iedereen onderworpen is. Daarom bracht God de taal van de torenbouwers in verwarring. Ze begonnen allemaal een andere taal te spreken. Daardoor staakten ze de bouw van de toren en verspreidden de mensen zich overal op de aarde. En zo ontstond een veeltalige en veelvormige en veelkleurige wereld. En toch kon het daar niet bij blijven. God koos zich een volk uit, met Abraham als stamvader, een volk dat een droom zou gaan koesteren van een veelvormige eenheid onder alle mensen.
Een droom van vrede ook. Zo zegt de profeet Jesaja: die vele volkeren zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en lansen tot sikkels, geen volk zal het zwaard heffen tegen een ander volk, geen mens zal nog weten wat oorlog is. Wij vieren vandaag dat er al iets van die profetie in vervulling is gegaan, hoe God een einde heeft gemaakt aan de Babylonische spraakverwarring. Mensen gaan Gods taal verstaan en zelf spreken. De enige taal waardoor mensen met elkaar in vrede kunnen leven, de taal van de liefde.

Tijdens de tweede wereldoorlog zat de beroemde  Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer in Berlijn in de gevangenis en vlak voor het einde van de oorlog werd hij ter dood gebracht. Bonhoeffer putte troost uit het visioen van het Pinksterfeest. Hij beluisterde in de taal van de Nazi’s, de toespraken van Hitler, een totalitaire taal, de taal van Babel. Een taal die eenheid afdwingt door anderen tot vijand te maken, met name de Joden. Ook in onze dagen is er nationalistische retoriek. Dictators maken anderen tot vijand en beginnen zelfs een oorlog. Een volk of groep die anders is krijgt de schuld. Discriminatie, racisme, het komt ook in ons eigen land voor, bewust of onbewust.
Bonhoeffer vond dat juist de kerk de plaats moet zijn waar dit Pinksterwonder zich herhaalt en mensen zich oefenen om elkaar te leren begrijpen, hoe verschillend ze ook zijn. De Heilige Geest breekt iets in ons open om verder te kijken dan het belang van je eigen groep, je eigen volk en natie. En zo helpen ook in ons land velen om Oekraïense vluchtelingen hier op te vangen. Het Pinksterverhaal lijkt een mooie droom, een visioen. Maar wel met een opdracht, dat ook wij steeds meer leren om Gods taal te verstaan en ook te spreken. Een taal die niemand wil uitsluiten, een taal van vrede en die spreekt van vergeving als jou iets is aangedaan. Een taal van verzoening die een einde maakt aan vijandschap. Een taal die het mysterie oproept dat alle mensen omvat. Dat vraagt veel geloof en geduld. Want wij mensen spreken nog vaak een heel verschillende taal, omdat we zoveel verschillende belangen en uitgangspunten hebben. We moeten het diepe verlangen verstaan dat de meeste mensen in de grond van hun hart voelen: om met elkaar te mogen leven in vrede. En dit diepe verlangen zelf is al het werk van de Heilige Geest.

vader Paul

 

Preek op de 5ee zondag van Pasen, 15 mei 2022

De apostelen en de andere leerlingen van Jezus hadden er moeite mee om te erkennen dat Jezus uit de dood is opgestaan. Ze waren angstig bijeen achter gesloten deuren, als Jezus hun verschijnt. Op een later moment gaat een groep van zeven leerlingen terug naar Galilea en daar nemen ze hun oude beroep weer op. Ze gaan weer vissen. Als Jezus dan plotseling op de oever van het meer verschijnt hebben ze moeite om Hem te herkennen. Na een nacht waarin ze niets hebben gevangen gooien ze opnieuw op gezag van Jezus hun netten uit en vangen ze een overvloed aan vis. De werkelijkheid van de Verrezen Christus dringt pas geleidelijk tot hen door. Pas met Pinksteren worden het moedige getuigen.

Dit geldt ook voor ons: ook wij hebben de tijd nodig om tot ons door te laten dringen dat Christus leeft, dat Hij verrezen is. Afgelopen woensdag vierde de byzantijnse traditie het feest van Midpinksteren. Halverwege tussen Pasen en Pinksteren. Dan wordt herinnerd aan het 7e hoofdstuk van het Johannesevangelie waar Jezus uitriep: ‘Komt allen naar mij die dorst hebt en stromen van levend water zullen uit je binnenste vloeien’. Een aanduiding van de Geest, die met Pinksteren over allen wordt uitgestort. Daar sluit het evangelie van vandaag op aan. Jezus belooft de Samaritaanse vrouw levend water. Jezus zelf is het levende water, Hijzelf is bron van leven. In de kondakia werd gezongen van water van wijsheid en water van onsterfelijkheid. Wij leven tussen Pasen en Pinksteren. Dat betekent dat wij week in week uit meer ervan doordrongen mogen worden dat Christus werkelijk onder ons leeft.
Wat betekent dit heel concreet? Het evangelie van de Samaritaanse vrouw geeft ons hier enkele aanwijzingen. We hoorden dat de apostelen verwonderd zijn dat Jezus met een vrouw in gesprek is. Hoe Jezus met vrouwen omging was revolutionair. Later zal Paulus zeggen dat er in Christus geen onderscheid meer is tussen Jood en Griek, slaaf en vrije en man en vrouw.

Ook vandaag de dag mogen wij als christenen mee ijveren voor de erkenning van de waardigheid van vrouwen en meisjes.  Paus Franciscus is bezig met de hervorming van het Romeinse bestuursapparaat, de Curie. Voortaan zullen vrouwen de leiding kunnen krijgen naast mannelijke leken van Romeinse bestuursinstanties. Een ander opvallend iets is dat Jezus hier in dit evangelieverhaal spreekt met een Samaritaanse, en dit terwijl Joden niet omgingen met Samaritanen omdat die als een soort ongelovigen werden gezien. Als christenen zullen wij ons moeten verzetten tegen elke vorm van discriminatie van mensen van een andere bevolkingsgroep, andere religie of huidskleur.

Vandaag wordt pater Titus Brandsma heilig verklaard. Het was de tijd van fascisme en nationaal socialisme. Met de verschrikkelijke vervolging van Joden en Roma’s en Sinti. De Nazi’s hadden ons land bezet. Juist toen was pater Brandsma hoofdredacteur van een krant en ijverde hij ervoor dat de katholieke dagbladpers in ons land integer bleef. Hij verzette zich tegen de taal van haat en verdeeldheid die ook toen gemeengoed werd. Wat we nu ‘nepnieuws’ noemen, mocht niet gepubliceerd worden de katholieke pers. Hij bepleitte met succes een bisschoppelijk verbod op het afdrukken van nationaalsocialistische propaganda in katholieke dagbladen. Hierom werd hij in 1942 door de Nazi’s gevangen genomen en in het concentratiekamp Dachau vermoord. In Bolsward is het Titus Brandsmamuseum. Daar kom je onder de indruk van zijn diep doorleefde geloof. Zijn  geloof was een werkelijke bron waar hij in die uiterst moeilijke tijd uit putte. Als water van wijsheid en water van onsterfelijkheid. Zijn medegevangenen waren diep onder de indruk van de rust die hij door zijn geloof uitstraalde. Hij wist zich in Christus geborgen, en hij werd zo voor velen een steun en een troost. Hij is voor ons allemaal een voorbeeld hoe je het geloof dat Christus Verrezen is en die de dood heeft overwonnen, eigen kunt maken.

vader Paul

 

Preek met Pasen.  20 april 2022

Pasen is het feest van de overwinning op de dood. Maar hoe denken 
wij over de dood? Kun je wel op een nuchtere, verstandelijke manier praten over de dood? De Stoïcijnen uit de Romeinse oudheid probeerden dat wel. Ze zeiden: je moet de dood onder ogen zien en je er bij neerleggen dat we sterfelijk zijn. Niet te veel treuren om de dood. Die Stoïcijnse levenshouding kom je ook nu nog tegen.
Iemand zei mij laatst: als je sterft is het met je afgelopen. Een tijd lang denken mensen nog wel aan je en dan besta je nog wel voor hen. Maar op een gegeven moment zijn die er ook niet meer, dan is het echt afgelopen en uit. Veel mensen denken zo, voor hen bestaat er geen leven na de dood. Maar zo nuchter als dit wordt gedacht is het ook niet. Een groep niet gelovige mensen werd gevraagd: stel dat
er wel een leven na de dood is, wie zouden jullie dan willen terugzien? Wat bleek: die ongelovige mensen reageerden emotioneel. Ze noemden dierbare gestorvenen die zij nog heel graag zouden willen ontmoeten, bij sommigen met tranen in de ogen. Bij de dood horen diepe gevoelens. Ontroerende maar ook angstige.
Vaak drukken mensen onaangename gevoelens bij de dood weg. De reclamecampagne van Sire geeft er voorbeelden van. Iemand die op
een zware operatie wacht krijgt te horen: ach, straks ben je er weer helemaal de oude. Een ander die zojuist een jeugdvriend verloren heeft hoort: gelukkig dat het geen familie is. De campagne spoort ons aan om niet óver de dood heen te praten, maar om mét mensen die met de dood te maken krijgen echt in gesprek te gaan. Wij vieren als gelovigen Pasen, maar we kunnen de realiteit van het Kruis dat er aan voorafging niet ontkennen. De gruwelijke realiteit ervan. Zoals de beelden van de lijken langs de weg in het Oekraïense Boetsja en de ruïnes van Marioepol op ons netvlies blijven branden. De vreugde van Pasen is pas echt als we eerst de droefheid van de dood doorleefden.

In het evangelie van Marcus zien de vrouwen het lege graf en worden angstig, vluchten ervan weg en durven er niet over te praten. Het is huiveringwekkend, dat Jezus leeft dringt nog niet echt tot hen door. In het evangelie van Johannes ziet de apostel het lege graf en dan staat er: hij zag en geloofde. Hij zag een donker zwart
gat, hij zag de realiteit van de dood. Maar hij keek er als het ware doorheen. Hij geloofde: het begon hem te dagen dat de dood het einde niet kon zijn. De overweldigende liefde van Jezus kon niet zomaar verloren zijn, voorgoed uitgewist.

En geldt dit ook niet voor ons? Hoe verschrikkelijk de dood ook kan zijn, des te meer beseffen we hoe onvoorstelbaar mooi het leven is. De overlevenden in
Boetsja zeiden het: het was hier zo mooi voordat de Russen kwamen, we leefden hier heel gelukkig. Geloven in een hiernamaals is geen vlucht, geen compensatie voor een onvolmaakt aards bestaan, maar een verlengstuk van een prachtig heden. Ook al kunnen we er ons geen echte voorstelling van maken. De Stoïcijnen zeiden: je moet je hier in dit aardse leven niet te druk maken, blijf kalm en beheerst bij alles wat er gebeurt.
Maar wie echt gelooft zal het leven hier op aarde des te meer waarderen en het leven met passie en liefde omhelzen. Dan blijf je niet Stoïcijns aan de kant staan. Dan engageer je je, volledig betrokken. Ook een echte monnik die teruggetrokken leeft doet dit. Als christen leef je met humor. Want je lijdt niet aan de kramp dat het hier op aarde perse volmaakt moet zijn. Zonder de druk dat je in alles succesvol moet zijn. Wetend dat je juist ook door verdriet en gemis een rijper mens kan worden. Een christen kan eindeloos en belangeloos liefhebben. Als
de geliefde sterft, weet je van de verrijzenis en dat betekent dat het afscheid niet definitief is. Liefde is sterker dan de dood.

Vader Paul